
Vannacht is mijn stamkroeg gekapseisd,
rond elven begon de bierkelder gestaag
over te lopen en geleidelijk gaf de vloer
zich gewonnen aan de zwijgende vloed.
Niemand had in de gaten dat het water
door de ramen brak en wat later de bar,
de blanke tafels en stoelen ronddreven,
dat langzaam mijn vaderland verdronk.
Mij ging een onbewoond rokje voorbij,
een uitgebild viltje, een vlaag uit een
vorig leven, en vanmorgen toen ik weer
wat wakker was lag de stad op haar zij.
|