Mijn
hand is een vreemdeling
dolend in de donzen rijkdom
van
haar deinend landschap
mijn vingers lopen langzaam
langs
geurende heidevelden
zelf ben ik allang verdwenen
‘Heb
je mijn fiets op slot gezet?’
roept
ze ergens ver van boven
Haar lichaam buigt voorover
ik staar in een bleke duinpan
boe
gloep – boe gloep
hoor
de eenzame roep
van
hazen en konijnen
boe
gloep – boe gloep
zie
lijdzaam vlinders
en
vogels verdwijnen
boe
gloep – boe gloep
zie
zwijgzaam vissen
adem
na adem halen
boe
gloep – boe gloep
Buiten hoor ik een misthoorn
de laatste veerboot komt aan
boe
gloep – boe gloep
‘Mijn
liefje hou je nog van mij?’
vraagt
ze ergens ver van voren
boe
gloep – boe gloep
|