-I-
‘Goedenavond
vader’
Vaardig bevazen vlijtige
vingers
de vlindergele narcissen op tafel
gulzig gaat een noeste
wervelwind
over onverstoorbaar eikenhout
‘Het
is voorjaar vader’
Het bed wordt aangedaan de
lakens
vinnig dichtgeslagen het kussen in
vorm
geschud en hortend braakt het
koffiezetapparaat adem na adem
uit
‘Verse
koffie vaderlief?’
Zij zingt en danst door de
kamer en
scheurt de omberbruine gordijnen open
de
zon schijnt in verbaasde ruiten en
buiten buiten gaat een meisje
voorbij |
-II-
Vader zwijgt
Het gevaarte heeft zich verschanst
in
zijn vetleren rookstoel zijn lekkende
troon zijn laatste
bastion en spuugt
gestaag onweerswolken de kamer in
Gehesen in zijn morsige krijtbroek
baal van gedane driften
overziet
het heerschap zijn tanend koninkrijk
en dwingt
een schrijnende stilte af
‘Weet
je nog de vogels dochter?’
Hij
weet haar naam niet meer |
-III-
Zij
zingt
Haar montere stem de verlegen
lach
in
lood gevat haar halfgeloken ogen
van eenzaamheid doortrokken
dijen
overtogen met eeuwig gesteven katoen
Eens was ze zonder zijn zegen
gezoend
achter de ajuinenkerk door
de jongen
die graven dolf zijn zanderige hand
in haar
versteende lichaam wrocht
‘Wilt
U gaan slapen vader?’
Zijn
naam heeft ze niet gekend

|